Werken. Velen haten het.
En toch doen we het massaal, dag in dag uit. Soms tot we erbij neervallen.
Van heel jongs af aan prent de maatschappij het beeld in dat een glimmende auto en een verantwoordelijke baan gelijk staan aan succes en geluk. Meer is beter. Een groter huis. Een vettere auto. Een hoger salaris. Het brein neemt het over van ons hart.
Zelf deed ik jarenlang hard mee aan de bekende rat-race. Geld, macht en status. Daar ging het me vooral om. Nee, niet erg charmant. Vermoedelijk deed ik dit om een diepgewortelde onzekerheid te beteugelen.
Mijn redenering was vrij simpel. En, zo denk ik, veel voorkomend: als ik maar genoeg inkomsten heb, dan kan ik wonen waar ik wil, doen wat ik wil. Mijn idee was dat zelfs een potentiële partner daar wel voor zou kunnen vallen. Tsja.
Er was nogal wat voor nodig om me wakker te krijgen uit deze zelfverkozen misère. Maar gelukkig kwam de omwenteling op een moment dat het weinig pijn deed.
Toen ik het vak vaarwel had gezegd, en eindelijk echt voor mezelf begon te kiezen, begreep ik nauwelijks nog waarom ik al die jaren zo gestreden had voor dat stressvolle beroep. Ik had mijn leven terug. Mijn vrijheid. Kon de balans gaan hervinden.
Hier volgt wat de wetenschap ons vertelt over dit soort afwegingen en keuzes. Het is een kritische blik op de relatie tussen werk, geld, geluk en gezondheid. Zodat niet zoveel mensen in de illusie hoeven te blijven hangen dat een flink salaris een essentiële voorwaarde is voor geluk. Onderzoek laat ons namelijk hele andere kanten van geld en werk zien.
Geld, Geluk en Gezondheid
Er is een duidelijke samenhang tussen meer inkomsten en een langere levensverwachting. Hoe rijker, hoe ouder. En die relatie houdt stand van de laagste tot de hoogste inkomensgroepen.
De vraag is wel wat de kip, en wat het ei is. Niemand kan vertellen of rijken ouder worden door of ondanks het inkomen. Of dat financieel minder bedeelden gemiddeld misschien eerder heengaan omdat ze door ongezonde levenskeuzes minder rijk neigen te worden.
Uiteraard is levensverwachting geen garantie voor geluk. Velen zullen eerder kiezen voor een gelukkig leven van gemiddelde levensduur, dan voor een extreem lang maar ongelukkig bestaan.
Nobelprijswinnaar Daniel Kahneman onderzocht de relatie tussen inkomsten en geluk. Uit zijn onderzoek kwam naar voren dat de verwachting over de gelukswinst door meer inkomsten de realiteit in de regel ernstig overtreft. Een concurrerende wetenschapper publiceerde later een gezaghebbende studie waaruit naar voren kwam dat geluk wel door blijft groeien bij inkomens tot wel een half miljoen dollar per jaar. Vervolgens besloten de Nobelprijswinnaar en de concurrent samen te werken. Uit gemeenschappelijk onderzoek, eveneens gepubliceerd in het blad PNAS, bleek dat vooral de ongelukkigste 15% niet gelukkiger werd door een inkomen dat de 75k overtreft.
Met andere woorden, wie achter meer en meer geld aanzit om gelukkiger te worden, gedraagt zich vaak een beetje als een hond die achter haar eigen staart aan zit.
Het blijkt zo te zijn dat we snel wennen aan hogere inkomstenniveaus, zonder dat de extra verdiensten ons blijvend veel gelukkiger maken. Daar komt bij dat mensen die meer verdienen vaak gespannener zijn dan minder-verdienenden. Bovendien brengen grootverdieners gemiddeld niet meer tijd door met leuke activiteiten dan mensen die minder verdienen. Allemaal argumenten om de zoektocht naar geld niet te verheerlijken als zoektocht naar geluk. Zo werkt het nu eenmaal niet.
Onderzoek wijst ons er zelfs op dat de focus op extrinsieke doelen (roem, vermogen, uiterlijk) samengaat met een afname van geluk. Terwijl focus op intrinsieke doelen (persoonlijke groei, relaties, gezondheid) gepaard gaat met méér geluk.
Vraag een jong kind wat die voor doelen heeft, en de kans is groot dat ie beroemdheid en veel bling bling als eerste noemt. Als ik vervolgens beschouw wat er van mijn jeugdidolen (vooral rock-sterren) geworden is: ze zijn bijna stuk voor stuk jong en ongelukkig gestorven. Zelfmoord, overdoses, ellende.
Een ander aspect van gehoopte gelukswinst door meer inkomsten is het niveau van inkomensgelijkheid. De inkomensgelijkheid ligt in Nederland relatief erg hoog. En in landen waar meer gelijkheid van verdiensten heerst, blijkt de gelukswinst door meer euro’s nog beperkter te zijn dan waar de salarissen veel verder uiteen lopen. Er valt hier dus relatief weinig te halen. En tegen welke prijs?
Financiële schulden blijkt een ander verhaal te zijn. Uit onderzoek komt naar voren dat het hebben van schulden zwaar op onze geestelijke en cognitieve gezondheid drukt. Bij elke afgeloste schuld gaan onze kans op angst-problemen en ons verstand er meetbaar op vooruit.
Werk-Stress: wie Controle Ervaart, heeft Minder Stress
Wie veel stress op het werk ervaart loopt een verhoogd risico op bijvoorbeeld suikerziekte en overgewicht. Dit is vrij gemakkelijk te verklaren. Stress leidt tot een slechtere nachtrust, werkt junkfood bingen in de hand, en is na het werk eerder in de verleiding om op de bank neer te ploffen dan om een rondje te gaan joggen. Hallo dichtslibbende slagaders.
Of de werkstress toe- of juist afneemt met een beter betaalde functie, hangt van veel factoren af. Op het eerste gezicht lijkt het misschien zo te zijn dat een baan met meer leiding geven en minder orders slikken leidt tot meer controle en daarmee minder stress. Aan de andere kant kunnen de toegenomen verantwoordelijkheden juist voor meer onzekerheid en spanning zorgen.
Bovendien valt ook bij de functies die een paar treden verder op de inkomensladder staan vaak tegen in hoeverre de controle echt toeneemt. Er blijkt vrijwel altijd nog wel een invloedrijkere hoger-geplaatste te zijn die veel van de gehoopte toename van controle tot een illusie doet verdwijnen.
Dit neemt niet weg dat controleverlies één van de allerbelangrijkste factoren voor werkstress en daarmee werk-gerelateerde gezondheid omhelst. Wie in belangrijke mate controleverlies ervaart doet er daarom goed aan om de gecreëerde werkomstandigheden en carrière-keuzes kritisch tegen het licht te houden. Verandering begint meestal bij de wens hiertoe. Dat komt zelden vanuit de werkgever. Eigen initiatief tot verbetering is daarom aangewezen.
Een andere manier om controle te vergroten is om te stoppen met werken voor een baas, en voor onszelf te beginnen. Een dergelijke stap blijkt vaak gepaard te gaan met een flinke toename van ervaren energie, vergelijkbaar met de energie die een directeur ervaart.
Anderzijds kent zelfstandig werk natuurlijk andere vormen van onzekerheid, vooral rondom inkomen en continuïteit. Veel van de succeskansen voor zelfstandig werken hangen hierbij af van karakter-eigenschappen en omstandigheden waar we niet altijd controle op uit kunnen oefenen. Een interessant gegeven is dat het percentage burn-outs onder zelfstandigen maar de helft is van het aantal burn-outs onder mensen in loondienst.
Bullshit Jobs
David Graeber schreef over dit fenomeen. Studies laten zien dat ongeveer een derde van alle banen feitelijk compleet onnodig en overbodig zijn. De zogenaamde bullshit jobs.
Deze schatting is gebaseerd op vragenlijsten. Op wat werknemers er zelf van vinden dus. Het is niet gebaseerd op formeel arbeidsmarkt onderzoek. Maar toch: dat zoveel mensen hun eigen baan zinloos blijken te vinden is op zich al schokkend.
Een mogelijke verklaring: managers worden vaak beoordeeld op het aantal mensen dat ze aansturen. Hoe meer medewerkers, hoe beter hun positie. Hoe meer bullshit functionarissen, hoe beter voor de manager.
Ik zag het fenomeen bullshit jobs ook terug onder medisch specialisten. Toen ik in die wereld werkte waren er ongeveer 40 kinderchirurgen in Nederland werkzaam. In de praktijk waren er zo’n 10 of 15 nodig. Meer niet. Je zou misschien denken dat dit in een zo concrete en zichtbare tak van sport niet mogelijk kan zijn. Zoveel nutteloze en dure medisch specialisten op de loonstrook. En dat terwijl ervaring en concentratie van zorg tot betere resultaten leidt.
Toch was het zo.
Persoonlijke belangen onder de uitvoerenden en managers maakten dat de meeste van deze relatief gemakkelijk weg-bezuinigbare professionals konden blijven zitten. En velen van hen hebben dus eigenlijk maar weinig te doen. Wat te doen?
De 15-urige Werkweek
Als mensen evolueerden we op een uur of 5 per dag arbeid, met verder tijd om te luieren en te lanterfanten. Acht uur per dag werken met hier bovenop anderhalf uur reistijd vormt hiermee feitelijk een onnatuurlijke situatie. Overigens behoort reistijd naar het werk tot de aller-ongelukkigste momenten op de dag. Hoe minder reistijd, hoe beter dus.
De wereldberoemde econoom Keynes berekende dat we met zo’n 15 uur arbeid per week voldoende productie zouden moeten kunnen leveren om de economie en de maatschappij draaiende te houden.
Ondanks alles werken de meesten nog steeds minstens 30 uur per week. Zou de 15-urige werkweek ooit de nieuwe standaard worden?
Voorlopig lijkt dit niet te gebeuren. Door een samenloop van economische prikkels, cultuur, politiek en consumptiedrang. Dergelijke factoren houden ons systeem met veel meer gewerkte uren intact. We zijn productiever dan ooit, maar in plaats van minder te werken, gebruiken we die efficiëntiewinst voor meer consumptie.
Toch blijft het naar mijn mening mateloos interessant dat een 15-urige werkweek economisch en sociaal een haalbaar fenomeen is. Een stip op de horizon.
Conclusies
De verleiding is vaak groot om vooral meer, beter en hoger na te streven. Een dergelijk carrière-pad vormt de maatschappelijke norm en brengt het gevaar met zich mee dat we ons verliezen in ons werk. Velen zitten gevangen in de gouden kooi van een aardig-verdienende baan. Het gewonnen geluk bij meer verdiensten blijkt in de regel echter juist erg tegen te vallen.
Zowel ons werk-gerelateerde welzijn als onze werk-gerelateerde gezondheid hangen voor een groot deel af van de ervaren stress. Die werkstress is vaak meer afhankelijk van de werkomstandigheden dan van het inkomensniveau. Werkstress komt voor op alle niveaus en kenmerkt zich vaak door verlies van controle.
Heilzame deviezen wat betreft geluk en gezondheid omhelzen daarom dat inkomen in onze werk-keuzes minder prioriteit verdient dan we aannemen. Werkstress minimaliseren is essentieel voor gezondheid en geluk, en daar zijn we zelf verantwoordelijk voor. We kunnen grotendeels onze ervaren werkstress reguleren door kritisch naar onze omstandigheden te kijken en deze waar nodig aan te passen. Niemand anders kan dat doen. Het idee dat we 36 uur per week móeten werken om rond te komen, is grotendeels een collectieve illusie.
In het Kort:
- Meer geld maakt meestal niet gelukkiger.
- Werkstress is vaak het gevolg van gebrek aan controle.
- Intrinsieke doelen verhogen welzijn, extrinsieke doelen verlagen het.
- Minder werken is evolutionair natuurlijker en mogelijk gezonder.
Augurken, zuurkool, sojasaus, tempeh, kimchi, yoghurt: stuk voor stuk voorbeelden van gefermenteerde voedingsmiddelen, en over het algemeen zijn ze bijzonder gunstig voor onze gezondheid.
Zo blijkt yoghurt (met name de onbewerkte, naturel variant) aanzienlijk meer gezondheidsvoordelen te bieden dan niet-gefermenteerde zuivelproducten zoals melk. Gezoete yoghurtjes hebben overigens weinig met yoghurt meer te maken en zijn door alle toevoegingen en bewerkingen bepaald niet meer gezond te noemen. Deze ultrabewerkte varianten van yoghurt maken ons eerder kapot.
In bredere zin dragen gefermenteerde voedingsmiddelen bij aan een gezonder microbioom en worden ze geassocieerd met minder ontstekingen (inflammatie) in het lichaam. Dat helpt verklaren waarom het eten van deze producten samenhangt met een lager risico op suikerziekte en minder overgewicht.
Mijn ongevraagde advies: Eet elke dag iets gefermenteerds.
Je darmen, en je gezondheid, zullen je dankbaar zijn.
Twee keer per dag poetsen. Eén keer per dag tussen de tanden reinigen. En bij ernstige tandvleesontsteking: regelmatig naar de mondhygiënist.
Vreselijk saai advies. Zeker niet sexy.
Maar wie ellende in de mond wil voorkomen of onderdrukken, komt er simpelweg niet onderuit.
Tanden Poetsen
Als kind leerde ik tandenpoetsen van de tandarts. En dat ging heel anders dan hoe mijn ouders het tot dan toe bij mij deden. Ik was dan ook behoorlijk geschokt om te ontdekken dat zij jarenlang mijn tanden eigenlijk ineffectief hadden gepoetst. Gelukkig ging het nog om een melkgebit. En ik had tot dan toe geen gaatjes, dus het viel mee.
Heb je regelmatig gaatjes of tandvleesproblemen? Dan is het waarschijnlijk verstandig om weer eens écht goed poetsles te nemen bij een mondhygiënist. Het zou zomaar één van de beste investeringen kunnen zijn die we ooit doen. Een goede techniek is namelijk cruciaal.
Zelf kwam ik daar pas achter toen ik tegen de veertig liep. Met wat geluk (en weinig wijsheid) had ik toen ‘slechts’ drie gaatjes verzameld.
Een veelgemaakte fout is te hard poetsen. Als de haren van je borstel naar opzij buigen tijdens het poetsen, druk je te hard. Een tip: houd je tandenborstel vast als een pen, dat helpt bij het voorkomen van te hard drukken. En anders biedt een elektrische tandenborstel vaak uitkomst: die waarschuwt bij teveel druk.
Waarom dit belangrijk is? Te hard poetsen beschadigt ons glazuur. En glazuur krijgen we maar één keer.
Extra tips om ons glazuur te beschermen:
- Poets niet direct na het eten of drinken. Wacht liever 15–30 minuten zodat het glazuur zich kan herstellen.
- Gebruik géén houtskoolpasta’s om je tanden te bleken. Ze schuren het glazuur er genadeloos af. Geen goed idee.
Tussen de Tanden Reinigen
Hierover blijkt verrassend weinig onderzoek gedaan te zijn. Toch weet ik uit ervaring: als ik bepaalde plekken tussen mijn kiezen niet regelmatig reinig, eindig ik met pijnlijke ontstekingen. En hoe meer ontstekingen, hoe meer tandvlees we verliezen. Totdat er niets meer over is. En het kunstgebit zich aandient.
Ik gebruik stokertjes. Mijn partner zweert bij borsteltjes. Wat het best werkt, hangt af van ons gebit. Bij grotere tussenruimtes zijn borsteltjes vaak het effectiefst.
Wat minder goed werkt:
- Plastic ragers en waterflossers: reinigen onvoldoende.
- Flosdraad: kan helpen, maar kan ook voor tandvlees-irritatie zorgen.
Heb je moeite met reinigen tussen je tanden? Laat je instructie geven door een mondhygiënist. Zonder goede uitvoering is de moeite vaak voor niks.
Spoelen
Chloorhexidine-spoelmiddel vermindert weliswaar plaque, maar verlaagt niet aantoonbaar het aantal gaatjes. Bovendien zorgt het voor:
- Vieze smaak
- Verkleuringen
- Méér tandsteen
Geen aanrader dus.
Tandvlees en Tandsteen Behandelingen
Tandsteen verwijderen en polijsten van tanden is alleen zinvol bij ernstige tandvleesontstekingen. In andere gevallen is het routineus wegschrapen van tandsteen en polijsten nutteloos. Niet doen dus: het levert geen gezondheidswinst op.
Bij gezond tandvlees is de rol van de mondhygiënist vooral onderwijzend: goed leren poetsen en reinigen. Kunnen we dat zelf goed, dan is verdere behandeling over het algemeen niet nodig.
Bij suikerziekte-patiënten kan tandvleesbehandeling wél helpen: het blijkt dat dit kan leiden tot betere bloedsuikerwaarden. Soms is voor gezond tandvlees een chirurgische ingreep nodig: auw.
Orthodontie
Als puber weigerde ik een beugel. Jaren later ging ik alsnog overstag. Eh, ja: puur voor het uiterlijk. Zo ijdel. Nu heb ik er spijt van.
Onlangs ontdekte ik dat de beugelepidemie mogelijk het gevolg is van ons te zachte voedsel.
Zonder stevig, vezelrijk voedsel (zoals onze voorouders elke dag verorberden) ontwikkelt ons kaakbot zich onvoldoende. Gevolg: een te kleine kaak, te weinig ruimte, scheve tanden.
Toen ik dit vertelde aan een kennis die als orthodontist werkt, kreeg ik een veelzeggende reactie: een lege blik.
Electromagnetische straling, zoals bij mobiele telefoon-gebruik en WIFI, kan mogelijk kanker veroorzaken. Hersentumoren, om precies te zien.
Moeten we ons nu zorgen maken?
Ja… en nee.
Voor de gemiddelde gebruiker is er waarschijnlijk weinig reden tot paniek. Wie de halve dag met een mobieltje aan het oor zit stelt zichzelf mogelijk bloot aan onnodige risico’s. Bij intensief gebruik is het verstandig om de telefoon op een afstandje van het hoofd te houden. Via speakerfunctie of een headset bijvoorbeeld. Of gewoon wat minder bellen.
Wat ook meespeelt: de effecten van langdurige blootstelling aan elektromagnetische straling zijn nog onvoldoende onderzocht. We weten simpelweg te weinig. Ook over zaken als slaapverstoring door een telefoon op ons nachtkastje is het bewijs mager en tegenstrijdig.
Voor mij persoonlijk geldt: ik wil geen straling naast mijn hoofd terwijl ik slaap. Mijn telefoon gaat ’s nachts gewoon uit. Waarom zou ik 24/7 bereikbaar willen zijn? Als er echt iets aan de hand is, mag de politie altijd aankloppen.
Eiwit. Er wordt veel (onzinnigs of erger) over gezegd en geschreven.
Krijgen we er wel genoeg van binnen? En hebben we echt vlees nodig voor voldoende eiwit?
Simpel gezegd krijgt iedereen die een redelijk gezond dieet volgt (met aardig wat onbewerkte, volwaardige producten) meestal méér dan genoeg eiwit binnen. Vlees is daarvoor absoluut geen vereiste.
Plantaardig? Geen Probleem
Ook met een vegetarisch of volledig plantaardig dieet (veganistisch) is het eenvoudig om aan voldoende eiwit te komen. Zelfs voor fanatieke sporters. Plantaardige eiwitbronnen zijn onder andere:
- Peulvruchten: bonen, linzen, kikkererwten
- Sojaproducten: tofu, tempeh, edamame
- Noten en zaden
- Volkoren granen: havermout, quinoa
- Groenten: bijvoorbeeld broccoli en spinazie
Wie wél vlees eet, krijgt gemiddeld meer eiwit binnen dan een vegetariër. Maar beide groepen halen normaal gesproken gemakkelijk de aanbevolen dagelijkse hoeveelheid. Je zou dus kunnen zeggen dat een regelmatige vleeseter meer dan genoeg eiwit binnenkrijgt, en een beetje verstandige vegetariër (ruim) voldoende.
Eiwit en Sportprestaties
Onderzoek laat zien:
- Vleeseters bouwen iets makkelijker spierkracht op
- Plantaardige eters ontwikkelen juist een pietsie meer uithoudingsvermogen
Deze verschillen zijn echter klein, en in de praktijk meestal verwaarloosbaar. Zowel plantaardige als gemengde diëten ondersteunen uitstekende sportprestatie .
Meer Eiwit = Meer Gezondheid? Niet Per Se
Na een ziekenhuisopname of ziekbed denken veel mensen dat extra eiwit nodig is voor herstel. Maar wat vooral telt, is lichaamsbeweging. Actief worden en blijven doet veel meer voor je kracht en vitaliteit dan eiwitshakes of verrijkte voeding.
Ouderen en Eiwit
Er zijn aanwijzingen dat ouderen (60 à 65+) baat kunnen hebben bij een iets hogere eiwitinname. Toch is dit nooit overtuigend aangetoond. Of standaard extra eiwit zinvol is op latere leeftijd, blijft dus onzeker.
Conclusie
We hebben geen vlees, en geen supplementen, nodig om voldoende eiwit binnen te krijgen. Zelfs niet als we sporten of ouder worden. Kwaliteit van voeding (gevarieerd dieet bestaand uit hele, onbewerkte voedselproducten) en van lichaamsbeweging zijn belangrijke aspecten waar de gezondheid om draait. Voldoende eiwit krijgt iedereen met een redelijk dieet toch wel binnen.
Over eieren bestaan nog altijd veel misverstanden. Zo wordt vaak, ten onrechte, gedacht dat ze slecht zijn voor hart- en bloedvaten vanwege het cholesterol.
Maar het cholesterol in eieren is voor de meeste mensen helemaal geen probleem. De reden? Veruit het grootste deel van het cholesterol in ons lichaam maken we zelf aan, in de lever. Als we een ei eten, past de lever zich aan en maakt simpelweg iets minder cholesterol aan. Daardoor blijft het totale cholesterolniveau in balans. Een paar eieren meer of minder per dag maakt dus doorgaans geen verschil.
Wat zegt de wetenschap?
De onderzoeksresultaten bevestigen dit beeld. Een ei per dag, en zeer wel mogelijk zelfs meer, heeft geen negatieve invloed op je cholesterolwaarden of het risico op hart- en vaatziekten.
Conclusie
- Het cholesterol in eieren wordt door het lichaam gecompenseerd
- Eén ei per dag verhoogt het risico op hart- en vaatziekten niet
- De wetenschap wijst op een neutraal tot gunstig effect
- Beweging, algehele voeding en leefstijl zijn veel belangrijker dan of we nu wél of geen ei eten
Kortom: Gewoon lekker eitjes smikkelen dus. Niks mis mee.
Drugs. Ze fascineren, verdelen, en transformeren onze waarneming.
Alcohol is de drug die wereldwijd verreweg de meeste schade aanricht. Cafeïne is met afstand de vaakst gebruikte psychoactieve stof. Toch noemen we bier, wijn en koffie zelden “drugs”.
Dit stuk richt zich op wat we doorgaans wél drugs noemen: cannabis, psychedelica (zoals paddo’s, LSD) en amphetamines (MDMA, speed). En dan wel de drugs die ook therapeutische toepassingen kennen.
Opioïden zoals heroïne en oxycodon komen in het artikel over pijnstillers aan bod. Cocaïne kent, ondanks z’n medische verleden, geen brede heilzame toepassing en komt hier niet aan bod.
Eerste kennismaking
Toen ik 11 was gaf ik samen met een klasgenoot een spreekbeurt over drugs. Vier jaar later begon het experimenten. Bijna van alles wat. Een leuke tijd. Toch maar gestopt.
Drugs in het Algemeen
Drugsgebruik, zelfs in matige hoeveelheden, verstoort doorgaans het natuurlijke 24-uurs ritme. Een onpraktisch en ongezond effect.
Bovendien verandert de tolerantie. Wat vandaag matig gebruik is, voelt morgen als te weinig. Tolerantie treedt altijd op bij herhaalde inname. Met het verstrijken van weken en maanden is een hogere consumptie hierom bijna onvermijdelijk. Afhankelijkheid ligt op de loer, inclusief de bekende afkickverschijnselen wanneer we proberen te minderen of te stoppen.
Cannabis
In Nederland werd cannabis vanaf de jaren ’70 grotendeels gedecriminaliseerd. Recentelijk hebben veel Amerikaanse staten dit ook gedaan. Veelal onder het mom van medicinale voordelen zoals pijnstilling of betere slaap.
Commercieel gezien is het vast een goed idee om cannabis producten te verkopen onder de noemers slaapverbetering en minder pijn. Toch is het wetenschappelijke bewijs voor deze toepassingen beperkt.
Uitzonderingen daargelaten (zoals sommige vormen van zenuwpijn), zijn de voordelen klein en de nadelen aanzienlijker: sufheid, concentratieverlies en risico op tijdelijke psychose.
Dit neemt niet weg dat legalisatie een invoelbare stap is. Gebruik is namelijk betrekkelijk normaal. Onder 25-jarigen gebruikte hier een kwart het middel in het afgelopen jaar. Bovendien is het makkelijk groeiende plantje in veel gevallen onschuldig bij gebruik. Bijvoorbeeld alcohol en tabak zorgen voor onnoemelijk veel meer problemen.
Een veel gehoord argument tegen het gebruik van cannabis is het verband met psychose. Er is inderdaad een correlatie, maar of cannabis oorzaak of gevolg is van psychische kwetsbaarheid, blijft onduidelijk. Misschien grijpen sommige mensen met psychische problemen juist naar cannabis ter zelfmedicatie. Causaal verband tussen cannabis en psychose is bij mensen in elk geval nooit stevig aangetoond. Hier zal toekomstig onderzoek hopelijk meer duidelijk over verschaffen. Tot dit het geval is lijkt een degelijke dosis voorzichtigheid in elk geval geboden in het geval van gevoeligheid voor psychotische problemen.
Psychedelica
Psychedelica (denk aan LSD en paddo’s) werden in de jaren ’50 en ’60 volop onderzocht voor psychiatrische toepassingen. Totdat de oorlog in Vietnam daar abrupt een einde aan maakte: jonge mannen bleken liever te trippen dan naar het front te gaan. Washington sloeg terug met een verbod. De rest van de wereld volgde.
Toch zijn psychedelica in veel landen betrekkelijk gemakkelijk verkrijgbaar. Met name paddo’s zijn op veel plaatsen gewoon in de natuur te vinden, inclusief in Nederland. De afgelopen jaren is wetenschappelijk onderzoek naar hun therapeutisch potentieel herstart. Met indrukwekkende resultaten.
Psilocybine wordt door de Amerikaanse FDA erkend als “breakthrough therapy” bij depressie. Australië heeft het al toegelaten voor gebruik bij depressie en existentiële angsten bij kankerpatiënten. Daarnaast lijken psychedelica samen te hangen met verminderde suïcidale gedachten en minder psychologische klachten. Een hoopvolle trend.
Gebruik van Psychedelica: Hoe Wél, en hoe Niet
Zelf nam ik een tijdje met enige regelmaat paddo’s. Elke keer was bijzonder. Soms was het bijzonder lachwekkend. En geen enkele keer een probleem. Wie weet is mijn overwegend positieve uitkijk op het leven gedeeltelijk te danken aan deze sessies. “Vakantie” noemden we het.
Maar laat er geen misverstand over bestaan: psychedelica zijn krachtig. Een verkeerde setting of kwetsbare geestelijke gezondheid kan leiden tot langdurige klachten, vooral angst-gerelateerd.
Daarom drie regels voor veilig gebruik:
- Geen gebruik bij bekende gevoeligheid voor psychose en gerelateerde problematiek.
- Gebruik uitsluitend in een veilige, vertrouwde omgeving waar niemand kan storen.
- Laat je begeleiden door iemand die nuchter is en die je vertrouwt.
Zo blijven de risico’s grotendeels beheersbaar.
Microdosing
Regelmatig kleine hoeveelheden nemen is populair aan het worden. Maar de wetenschap is er nog niet over uit. Voorlopig blijft dus voorzichtigheid geboden.
Amphetamines (inclusief MDMA)
Speed, het klassieke amphetamine, werd in de tweede wereldoorlog op gigantische schaal door de strijdkrachten (en leiders) aan beide zijden gebruikt. Wie zou anders als kamikaze met zijn vliegtuig op een schip invliegen?
Als tieners gebruikten we dit middel ook wel eens op een feestje. Het hield ons urenlang op de been. We waren praktisch onstopbaar.
Interessant genoeg werkt pure amfetamine juist rustgevend bij mensen die lijden aan ADHD (attention deficit hyperactivity disorder). Waar feestgangers en soldaten keihard op gaan, is het voor deze groep mensen juist een downer. Het mechanisme hierachter is nog steeds niet goed begrepen. Wel is duidelijk dat gebruik bij ADHD gepaard gaat met meer kans op hevige psychiatrische problematiek.
Het zure is dat amfetamine als medicijn nog steeds verslavend werkt. Vooral jongeren die het langdurig gebruiken lopen later een verhoogde kans op verslaving.
Dan is er MDMA, de beroemde partydrug, ook wel “XTC” of “knuffeldrug” genoemd. In tegenstelling tot speed is het minder verslavend en relatief veilig, mits verantwoord gebruikt. Mogelijk gaat het geheugen bij veelvuldig gebruik wat achteruit.
Maar het meest bijzondere aan MDMA is de opkomst als therapeutisch middel. Onder begeleiding van een psycholoog blijkt het effectief bij de behandeling van posttraumatische stressstoornis (PTSS). In zowel de VS als Australië is MDMA inmiddels erkend als veelbelovend medicijn.
Wat ooit begon op de dansvloer, ligt nu in de behandelkamer.
Conclusie
Wat ooit begon als rebellie, wordt steeds vaker erkend als therapie. Toch zijn deze middelen geen speelgoed. Kennis, context en begeleiding maken het verschil tussen genezing en schade. Met gezond verstand, kritische blik en open geest valt er veel te leren van wat ooit taboe was.
Simpel gezegd: in de reguliere geneeskunde is er te weinig tijd en ruimte is om de mens als geheel te behandelen.
Grondoorzaken van verminderd welzijn en aftakelende gezondheid worden door zowel sociaal geneeskundigen, huisartsen als medisch specialisten maar al te vaak genegeerd. Te veel gewauwel over specifieke diagnoses en daarop gerichte behandelingen. Vrijwel geen oog voor de mens hierachter. Ik miste het complete verhaal.
Waarom ik Ooit Begon
Dit is lang niet allemaal fraai.
Toen ik als krap 18-jarige aan de geneeskunde studie begon, had ik weliswaar menselijke redenen om voor deze richting te kiezen. Anders was het een technische studie geworden, en daarin miste ik nou juist dat humane aspect.
Maar. Het ging mij bij geneeskunde, voor een groot deel, om geld en status. Ja, zó afgezaagd.
Waarom het vervolgens chirurgie werd, is dan ook niet moeilijk voor te stellen. Het combineerde het technische plaatje perfect met deze totaal oppervlakkige zucht naar eer en roem. Algemeen chirurg wilde ik worden. Dat is traditioneel iemand die zo ongeveer overal iets vanaf weet, beslist wat er moet gebeuren, en dan ook nog zelf de oplossing uit kan voeren. Een vreselijk arrogante inslag.
Toen ik nog geen twee jaar bezig was met de opleiding tot algemeen chirurg, werd dat vak uitgefaseerd. Ik móest plotseling kiezen voor een specialisatie. Niet waarvoor ik aangenomen was of gesolliciteerd had. Maar goed.
De keuze was makkelijk: de spijsverteringsorganen, met zoveel mogelijk kinderchirurgie. Want daar was het mij uiteindelijk allemaal om te doen.
Aan de oppervlakte ging het mij weliswaar om banale, wereldse zaken. Maar toen ik als co-assistent voor het eerst een doodzieke dreumes onderzocht viel het kwartje. De zorg voor kind en ouders was wat mij echt greep. Daar wilde ik meer van zien. Dit werd voor jarenlang mijn passie.
Waarom ik Stopte
Na ruim 3 jaar promotieonderzoek en bijna 9 jaar op de operatiekamers en afdelingen, realiseerde ik mij door en door dat ik niet meer de persoon was die destijds voor het vak gekozen had. Het vak paste niet meer bij mij.
Ik wilde iets wezenlijk anders uit het leven. Iets waarbij ruimte is voor onze ziel en de zin van het leven. Geen flitsende carrière, maar iets doen wat écht zinvol is. Wat recht uit het hart komt.
Het proces van afscheid ging langzaam. Helemaal aan het begin van de opleiding tot chirurg had ik al twijfels, maar deze drukte ik systematisch de kop in. Pas toen ik (na jarenlang chirurgische opleiding en een jaar als chirurg in kinderziekenhuis Great Ormond Street Hospital) met sabbatical ging, kwam dit proces in een stroomversnelling.
Door weer ruimte te ervaren voor passies buiten het vak (de zee, de bergen, yoga, tekenen) kwam ik beter in contact met mijzelf. Jarenlang had ik mijn ziel en zaligheid aan de chirurgie gegeven. Als ik niet aan het werk was dan was ik mijzelf, lichamelijk en mentaal, aan het voorbereiden op de volgende werkdag. Het was langzaam aan steeds gekker geworden.
Ik kwam tot de conclusie dat ik mij bezig wilde houden met welzijn in de breedste zin van het woord. Niet alleen met die ontstoken blindedarm, die liesbreuk of die tumor. Ik hunkerde naar een vervullendere levensinvulling. Behandeling van mensen moest iets toevoegen voor de mens als geheel, en niet voornamelijk gericht zijn op een diagnose.
Het is misschien schokkend om te beseffen dat veel artsen zo gehecht zijn aan welk specifiek orgaan buiten de pas loopt, in plaats van ons als mens als geheel. Tijd en geld zijn nou eenmaal schaarse goederen. Ook in de gezondheidszorg.
Zorgsystemen zijn er daarom op gericht op het halen van doelen. En dat draait om aantallen. Geld. Hoeveel diagnoses. Hoeveel behandelingen.
Dit neemt niet weg dat de adequate behandeling van orgaan-specifieke aandoeningen een belangrijke rol speelt bij het behoud van gezondheid. Maar of de mens als geheel (in al haar facetten) daar blijvend op vooruit gaat is moeilijk te meten en niet goed in getallen uit te drukken. En is daarom minder geschikt als eindmaat in de reguliere geneeskunde. Voor effectieve behandeling is het bijna altijd noodzakelijk dat naast de specifieke aandoening ook andere aspecten meegewogen worden: de ziel en geestelijke, sociale en maatschappelijke factoren bijvoorbeeld.
Wat dan Wél?
Een holistische aanpak. Met tijd en ruimte voor onze problemen en belemmeringen in het licht van wie wij zijn, in welke omgeving we functioneren, wat we hebben meegemaakt, en wat ons beweegt.
Zo herinner ik mij die blik in de ogen van de moeder van het geobstipeerde kind dat ik behandelde in Hamburg. Ik probeerde met haar te bespreken hoeveel ongezonde en vezel-arme producten er in de supermarkt staan. Nog voordat we het over oplossingen konden hebben, realiseerde ik mij dat deze moeder hier helemaal geen ruimte voor had. Zij stond er niet open voor. Om ook maar een kans op echte verbetering te hebben was tijd nodig. En die hadden we niet. We stonden op de spoedeisende hulp, waar meestal tempo gedraaid moet worden.
Veel behandelingen binnen het gezondheidszorgsysteem moeten, door vrijwel universeel tijdgebrek gecombineerd met een vaak te gespecialiseerde blik, feitelijk afgeraffeld worden.
Daarom ben ik nu blij dat ik een zo breed mogelijke benadering kan gebruiken, waarbij we genoeg tijd hebben om alle belangrijke onderwerpen en facetten écht te behandelen. Met ruimte voor geest, lichaam én ziel.
Voor velen is dementie hét allergrootste schrikbeeld van aftakeling. Zoals een kennis laatst over zijn getroffen vader zei: “hij verdwijnt langzaam”.
Een treffende uitspraak, die nog maar weinig recht doet aan de verregaande ontreddering en ontluistering die zich vooral in de latere fasen van dementie afspelen.
Artsen kijken machteloos toe. Zelfs euthanasie is in de praktijk zelden een optie, omdat er in de latere stadia van dementie geen sprake meer is van wilsbekwaamheid. Het karakter verandert, de identiteit en autonomie verdwijnen.
Toch is er ook goed nieuws. Hoewel het absolute aantal patiënten toeneemt, simpelweg omdat we gemiddeld ouder worden, daalt het leeftijdsgebonden risico. Met andere woorden, wie de 80 haalt heeft tegenwoordig een kleinere kans om dement te worden dan enkele tientallen jaren terug.
Dat is vooral te danken aan een gezondere leefstijl: minder roken, betere behandeling van slechthorendheid, en meer aandacht voor risicofactoren als bloeddruk, voeding en beweging. En dat geeft een belangrijk inzicht: dementie is géén noodlot. We hebben het goeddeels zelf in de hand.
Leefstijl: Zo Verlagen we onze Kans op Dementie
Uit diverse grote studies blijkt dat we onze kans op dementie met wel 40–50% kunnen verkleinen. De helft. Een flinke slok op een borrel ja. Hoe?
- Beweging
Regelmatige fysieke activiteit verbetert de doorbloeding van het brein en verlaagt inflammatie. Bewegen is één van de krachtigste beschermers van hersengezondheid. - Slaap
Herstelprocessen in het brein vinden vooral tijdens de slaap plaats. Hoewel slechte slaap niet als directe oorzaak van dementie aangetoond is, zijn er alles bij elkaar genomen genoeg aanwijzingen om een goede slaap serieus te nemen. - Gezond dieet
In plaats van hyperbewerkte voeding meer hele, onbewerkte en minimaal bewerkte voedingsproducten (volkoren, groenten, fruit, noten, zaden, paddestoelen, bonen en linzen). - Cholesterol
Gezonde voeding helpt ook om cholesterol in balans te houden. Hoge cholesterolwaarden zorgen voor slechtere bloedvaten, ook in het brein ➞ meer kans op dementie. - Stress
Meer onderzoek is nodig, maar preliminaire studies wijzen in de richting van minder kans op dementie door stressvermindering bij chronische stress. - Bloeddruk
Een gezonde bloeddruk beschermt tegen vaat-schade in de hersenen. Dit is een belangrijke factor bij de ontwikkeling van dementie. - Roken
Tabak verhoogt de kans op dementie, met name via schade aan bloedvaten. - Alcohol
Matig en vooral geen alcoholgebruik verlaagt het risico op cognitieve achteruitgang. - Gezond gewicht
Minder overgewicht, vooral op middelbare leeftijd, betekent minder kans op dementie. - Luchtvervuiling
Vooral fijnstof lijkt nadelig voor cognitieve gezondheid. - Behandel gehoorverlies
Een gehoorapparaat bij slechthorendheid blijkt het risico op cognitieve achteruitgang aanzienlijk te verminderen. - Sociale contacten
Mensen die sociaal actief blijven (via familie, vrienden, clubs of vrijwilligerswerk) hebben een lager risico om dement te worden. - Depressie
Langdurige depressie vergroot het risico op dementie. Tijdig behandelen baat.
Wat Niet Werkt: Supplementen en Amyloïd-verlaging
Hoewel veelbelovend klinkende oplossingen als cognitieve stimulatie, supplementen of amyloïd-verlagende middelen regelmatig de media halen, blijkt uit betrouwbare studies dat ze niet effectief zijn.
- Mentale uitdaging: Ondanks het wijdverbreide geloof dat kruiswoordpuzzels en regelmatige bridge-avonden dementie voorkomen, is er praktisch geen bewijs voor een preventief effect van cognitieve uitdagingen. Lange tijd werd zo ook gedacht dat een gedegen opleiding beschermt tegen dementie. Maar recent onderzoek heeft laten zien dat de achteruitgang van de cognitie bij hoog-opgeleiden precies even snel gaat als bij mensen die bijvoorbeeld alleen een lagere school diploma hebben.
- Supplementen (zoals vitamine B of E): Er is geen overtuigend bewijs dat deze werken bij cognitief gezonde mensen. Het werkt blijkbaar niet. Wel kunnen ze tot gevaarlijke bijwerkingen leiden.
- Amyloïd-afbraak: Ooit hét doelwit in Alzheimer-onderzoek, behoudt dit onderzoeksveld nog steeds enige belofte. Maar experimenten hebben laten zien dat simpelweg het verminderen van de hoeveelheid amyloid niet genoeg is voor de omkering van dementie.
Conclusie
Dementie is geen eenvoudige ziekte die verklaard kan worden door één factor zoals de ophoping van eiwitten. Integendeel: het is een uitermate complexe aandoening, waarin genetica, leefstijl, vaat-gezondheid en omgevingsfactoren samenkomen.
Het goede nieuws is dat we zelf invloed kunnen uitoefenen. Door het systematisch aanpakken van risicofactoren verkleinen we onze kans op dementie substantieel. Wondermiddelen bestaan hier niet, maar verschillende gezonde keuzes die allemaal een beetje helpen; vroeg begonnen en volgehouden. Zo verbeteren we onze algehele conditie en welzijn, en verminderen we tegelijkertijd onze kansen om dementie te ontwikkelen.
Bijna de helft van de Nederlandse vrouwen gebruikt de anticonceptiepil.
Onder 22-jarigen ligt dit aandeel zelfs rond de 75%.
Toch gaat dit gebruik niet zonder risico’s, met name op het gebied van stemming en algemeen welbevinden. Veel vrouwen krijgen echter bij de start van het pilgebruik nauwelijks informatie over deze mogelijke effecten.
Effecten op de Stemming
Naast de bekendere (maar relatief zeldzame) bijwerkingen zoals een verhoogd risico op trombose, zijn er vaker voorkomende psychologische bijwerkingen.
Uit onderzoek blijkt dat een aanzienlijk deel van de gebruikers stemmingsveranderingen ervaart, waaronder negativiteit, minder plezierbeleving en verminderd algemeen welzijn. Vaak over het hoofd gezien, maar een serieus punt van zorg.
Er zijn Alternatieven
Hoewel de pil voor veel vrouwen effectief en praktisch is, bestaan er ook andere vormen van anticonceptie. Zoals het spiraaltje, en natuurlijke methoden. Deze laatste vereisen wel een consequente en zorgvuldige toepassing om redelijk betrouwbaar te zijn.
Voordeel: minder PMS
Aan de andere kant kan de pil ook positieve effecten op de stemming hebben. Met name vrouwen die kampen met het premenstrueel syndroom (PMS) kunnen merken dat hun klachten verminderen of verdwijnen. Maar goed, dit is leuk voor die paar dagen per maand dat PMS op zou treden. De negatieve bijwerkingen op de stemming zijn er 365 dagen per jaar.
Conclusie
De pil wordt vaak te makkelijk voorgeschreven, zonder voldoende voorlichting over de mogelijke psychische bijwerkingen. Vrouwen die overwegen om te beginnen of te stoppen met de pil doen er goed aan om zich bewust te zijn van deze minder zeldzame effecten op de stemming en hierover met hun arts in gesprek te gaan.